Stress en onze geest


Wie probeert te ontspannen merkt algauw dat, hoe knap ook de oefeningen en de uitleg mogen zijn, het in de praktijk niet altijd eenvoudig is. Stress zit vaak heel diep en kan op de duur onze geest en ons lichaam ondermijnen. Zo hebben meer dan 80% van de psychosomatische klachten te maken met (negatieve) stress.

Hoe stress onder ons vel kruipt

We hebben een minimum aan stress nodig om alert te zijn, maar teveel stress maakt ons verkrampt en suf. De uitdaging is een juist evenwicht te vinden in elke situatie. Negatieve stress veroorzaakt een chronische overbelasting. Ons lichaam reageert daarop met de ‘vecht/vlucht -respons’ die we gemeen hebben met onze voorouders uit de oertijd.

Omdat er uitwendig geen reëel gevaar is, lijkt het alsof we niet echt wat kunnen doen aan onze uitwendige situatie en zitten we vast in een staat van permanente opwinding. Lichamelijk maken we geen onderscheid tussen stress en angst, en wanneer de overbelasting blijft duren, blijft voor ons lichaam ook het zogenaamde gevaar duren. We zijn opgejaagd wild maar de jager zit in ons eigen hoofd.

Hoe we volhouden

Op de duur ontstaat onbewust een chronische angsttoestand. Ons lichaam maakt in zo’n toestand endorfines aan. Die ontstaan na een fysieke inspanning en werken in de eerste plaats pijnonderdrukkend, maar zorgen ook voor een gevoel van geluk of euforie, zoals bij sportbeoefening. Soms raken we verslaafd aan stress omdat die lekkere endorfines zo’n kick geven. We zijn een wagen die maar verder raast, de chauffeur geeft volop gas en draait enthousiast aan het stuur maar vergeet te tanken. En heel deze samenleving drijft op kicks, met volop brandstof maar niemand aan het stuur…

De prijs is een fysieke en mentale kramp, veel -repetitief- doen en denken, onszelf nog meer verdoven of ons afsluiten. Fysiek verminderen immuniteit en lichaamsreserves, mentaal vermindert ons aanpassingsvermogen en vernauwt ons bewustzijn. We hebben meestal geen inzicht meer in onze situatie, of beter gezegd: we missen het overzicht over onze situatie. Laat staan dat we nog zicht of greep hebben op de eigenlijke, oorspronkelijke stressfactoren.

De enige uitweg die ons lichaam heeft, is ermee kappen: we krijgen vreemde, ‘onverklaarbare’ symptomen (pijnen, hartkloppingen, flauwtes, vergeetachtigheid, prikkelbaarheid…). Desnoods storten we in en worden ‘echt’ ziek of depressief. Vaak voelen we zelfs geen pijn of ongemak, alleen maar moeheid of afstomping, vervlakking.

In de natuur is er een spontaan ritme van actie en rust, inspanning en genieten. Als een dier ziek is of overbelast, trekt het zich terug op een veilig plekje en wacht tot het op krachten is gekomen. Als mens blijven we krampachtig voldoen aan wat zogezegd moet: hard werken combineren met huishouden en veel vrije tijdsactiviteiten, en in dat alles zo goed zijn als de anderen. Als dat niet lukt, worden we kwaad op onszelf of de anderen. We waren altijd zo flink, actief, nuttig, en zie ons hier nu zitten of liggen. Al de anderen razen door en wij kunnen plots niet meer mee.

Opgroeien met stress

Maatschappelijke druk vormt in feite de bovenste laag van onze stress. Psychologisch bekeken is er meestal een langere voorgeschiedenis. Als foetus, baby en peuter verliepen onze waarneming, motoriek en contacten via een zeer gevoelige uitwisseling tussen ons eigen lichaam en dat van onze opvoeders, later tussen ons lichaam en de rest van de omgeving.

We waren ons als kind vooral bewust van ons eigen lichaam, onlust voelden we via verhoogde spierspanning, welbehagen via ontspanning. Ouders reageren hierop meestal instinctief en gepast door veel te knuffelen, spelen, geluidjes te maken… Deze contacten gaven ons basisveiligheid. En door training in dit soort ‘dialogen’ vormden we een basis voor onze latere empathie: het gevoel erbij te horen en anderen erbij te laten horen.

Onze ouders hadden hun eigen waarden en verkrampingen. Ze hadden een voorkeur voor bepaalde uitingen van ons als kind en een afkeer van andere uitingen. Als kind reageerden we hierop instinctief en gepast door ons aan te passen, door afgekeurde uitingen te onderdrukken en ‘goede’ uitingen te ontwikkelen. Sommige onderdrukte uitingen veroorzaakten dus al vroeg chronisch verhoogde spierspanning en onlust. Naarmate we als kind voldoende motoriek verwierven, konden we weglopen van onlust, en toen we meer ons denkvermogen ontwikkelden, konden we ongemak wegredeneren. Ondertussen verdwenen onze gewaarwordingen wel stilaan uit ons bewustzijn…

Als kind ontwikkelden de meesten onder ons dus een lichaam met verkrampte zones waarin behoeften of expressies werden onderdrukt. Zo hoefden we niet meer het verdriet in onze keel te voelen, de woede in onze maag, de last op onze schouders… Nog efficiënter was het om in die zones helemaal niets meer te voelen. In plaats van onze oorspronkelijke lichamelijke gevoeligheid hebben we nu emotionele, verstandelijke en gedragsmatige patronen om bevredigend met de realiteit om te gaan. Maar door de onlust in ons lichaam te vermijden, stapelen we een hoop spanning op. Het lijkt efficiënt maar het kost een hoop energie om deze diepere onlust of stress te verdringen. Tot er teveel nieuwe stress bovenop komt…

Weg wat teveel is

Als volwassene pakken we nieuwe ongemakken of stress op dezelfde manier aan als de oude stress uit onze jeugd. Zo ontstaan lagen van onderdrukte pijn, emoties en verlangens. Daardoor doorwerken we ook bepaalde ontwikkelingsfasen niet of enkel gedeeltelijk. We worden bijvoorbeeld over -afhankelijk of worden juist bang voor teveel afhankelijkheid. We worden passief of over-actief… Naargelang onze erfelijke aanleg, en naargelang onze stress op jongere leeftijd ontstond en/of langduriger was, ontstaan neurose, borderline -persoonlijkheid of psychose. Deze ‘stoornissen’ zijn in feite onze oude, verstarde manieren om met stresserende situaties om te gaan.

Tegelijk willen we alsnog de oorspronkelijke stress ontladen. Dat doen we elk op onze manier door onbewust steeds opnieuw situaties op te zoeken waarin we kunnen leren hoe het nu beter kan. Maar zo lang we ons niet bewust zijn van de oorspronkelijke stress en wanneer er teveel extra stress bovenop komt, belemmeren we dikwijls onze terugkeer naar een rustige basistonus en naar mentale openheid, nodig voor een echt helingsproces. Tot we niet meer verder kunnen, en wel bij onszelf moeten stilstaan.

Als we een minimum aan rust verwerven, begint een natuurlijk proces zijn werk te doen. In ons zit een ingebouwd verlangen naar geluk of op zijn minst naar welbehagen. We kunnen leren de oorzaken van stress uit de weg te gaan om niet telkens opnieuw in een uitputtende crisis te belanden. Als je erg gevoelig bent, word je vaak onbewust overbelast door teveel prikkels, lawaai en teveel informatie, en scherm je je beter af. Hetzelfde geldt voor confrontatie met drukke, agressieve of te ambitieuze mensen. Dit vermijden hoeft enkel te duren tot we sterk genoeg zijn om wel de confrontatie met de totale realiteit aan te gaan.

Weer heel worden

Wanneer we de rust lang genoeg in en rond ons installeren, verbreedt ons bewustzijn, krijgen we spontaan een ruimere blik, worden we creatiever. Via zelfonderzoek of therapie kunnen we ons dan richten op zowel inzicht in onze familie van oorsprong, als op ons lichaam, onze gevoelens, denkbeelden en contacten. Het is moeilijk om basisveiligheid te ervaren als je niet goed in je lichaam zit. En het is moeilijk om in contact te komen met anderen als je bepaalde gevoelens niet toelaat en in je hoofd zit te malen.

Vandaar pleit ik voor een meer meditatieve houding. Een gepaste afstand houden tot overweldigende lichaamssensaties, emoties en gedachten. Binnen die afstand kunnen we een nieuw, natuurlijk evenwicht laten groeien. Binnen de pauze die we creëren tussen en prikkel en onze reactie, kunnen op een nieuwe, frisse manier tegen ons leven aankijken.

Stress ombuigen kan eenvoudig door lichaamsbeweging zoals sport, wandelen, in de tuin werken. Ontspanningsoefeningen en meditatie vragen al wat meer overtuiging. Tussenin zit het besluit om goed voor onszelf te zorgen. Waarom niet elke dag na het gas geven even stoppen en aan de kant gaan staan, terug naar de natuur in ons? Om dan te merken dat er méér is, dat er een grotere dimensie in het leven dan het welzijn van ons kleine ik. Nadat we even aan de kant zijn gaan staan, is er ruimte voor de anderen. Ook isolement leidt tot stress. Omringen we ons met de juiste mensen, voelen we ons leven als zinvol?

Wellicht is de grootste stress het gevoel afgesneden te zijn van een natuurlijke orde. Het gevoel alles alleen te moeten doen, op eigen kracht, als een figuur uit een stripverhaal die zichzelf bij de kraag pakt en verder sleept. Hoe meer stress je loslaat, hoe sterker je ervaart dat het in feite allemaal draait om controle te durven loslaten. Het is een wereld van verschil als we ervaren dat het leven ons draagt en niet omgekeerd…

Literatuur

  • Swinnen L., De kleur van stress, Antwerpen 1997
  • Ruud Joppen, Willem Brand, Paul Schreurs, Omgaan met stress, Baarn 1992
  • Alexander Lowen, Bio-energetica, Amsterdam 1980
  • Danis Bois, Le moi renouvelé, Ivry-sur-Seine 2006

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *