Boeddhistische therapie: enkele achtergronden

 

1. Tijdens de intake ga ik uiteraard eerst na of de hulpvraag van mijn cliënt te maken heeft met een ernstige pathologie, of zich in het intrapsychische, relationele of existentiële gebied (zingeving, spiritualiteit) situeert. Daarbij is de vraag ook of hij (zij) voldoende draagkracht heeft en of een boeddhistisch geïnspireerde psychotherapie aangewezen is. Soms zijn eerder medicatie en ondersteunende gesprekken nodig.
Indien boeddhistische psychotherapie geschikt is, bied ik mijn cliënt naast mijn eigen inzet als therapeut aan wat de mogelijkheden van meditatie zijn binnen de psychotherapie. Een eerste mogelijkheid is in rust blijven, ook al zijn we met moeilijkheden bezig. Dit komt grosso modo overeen met stiltemeditatie (‘samatha’). Een tweede mogelijkheid is vanuit een neutrale, onbevangen houding onderzoeken wat realiteit is en wat illusie. Dit is in wezen inzichtmeditatie (‘vipassana’).

Inzichtmeditatie kan zowel analytisch zijn (gericht onderzoeken van lichamelijk gewaarzijn, emoties, gedachten…), als open ontvangen van wat zich op het moment aandient. Het is alleszins een non-duale en niet-oordelende, maar ervaringsgerichte en beschrijvende benadering. Het komt erop neer dat ik de cliënt uitnodig om te beschrijven wat hij op dit moment denkt, voelt en in zijn lichaam gewaar wordt. Dit klinkt eenvoudig maar is het vaak niet. Veel westerlingen zijn zich niet bewust van wat zich in hun binnenwereld afspeelt, vooral niet in hun lichaam. Ik let daarom vooral op hoe lichamelijk geworteld de ervaring van mijn cliënt is, omdat lichamelijke beleving het minst vatbaar is voor conceptualiseren. Evengoed is vanuit een boeddhistisch perspectief elke geestelijke activiteit een ingang naar de realiteit, ook een emotie, een gedachte of een actie.

Meestal is het eerste wat een cliënt beschrijft zijn onheilzame bewustzijnsinhouden (hebzucht, jaloezie, angst, agressie, verwarring…) Alleszins is het vanuit een boeddhistisch perspectief heilzaam dat mijn cliënt niet verstrikt blijft in het complexe verhaal dat hij wil vertellen en blijft detailleren. Wanneer de cliënt vaststelt dat zijn negatieve bewustzijnsinhouden zich automatisch herhalen, kan hij ook merken dat er nog andere bewustzijnsinhouden zijn, die neutraal zijn of alleszins niet repetitief. Deze vaststelling op zich is een grote opluchting.

2. Het verschil met louter mediteren is uiteraard dat boeddhistische psychotherapie ook een ‘werkrelatie’ is tussen therapeut en cliënt. Als therapeut engageer ik mij om het lijden van mijn cliënt te helpen verlichten. Als boeddhistisch geïnspireerde therapeut ga ik niet teveel in op de emoties, gedachten of het gedrag van mijn cliënt. Ik onderzoek eerder samen zijn situatie en blijf zoveel mogelijk uit de directe overdracht. Het gaat mij eerder om de diepere, vaak verborgen noden van mijn cliënt dan om zijn wisselende emoties of gedrag. Dat geldt vooral voor zijn ware intenties. Mensen hebben meestal positieve intenties maar deze worden vervormd door geconditioneerde emoties, oordelen en gedrag.

Even goed ontstaan in een diepgaande begeleiding overdracht en tegenoverdracht. Deze oude projecties die nu op de therapeut worden gericht zijn werkinstrumenten. In de mate dat ik als
therapeut authentiek en liefdevol aanvaardend ben, ben ik niet alleen een projectiescherm voor negatieve gevoelend en verlangens, maar blijf ik ook als mens zichtbaar. Op die manier kan ik een rolmodel zijn voor hoe je kan omgaan met pijn, gemis en verlangens. Daarbij is het wenselijk dat ik mijn cliënt uitnodig om zijn verlangen naar aanvaarding door mij en liefde van mij om te buigen naar anderen in zijn leven. Dit vraag om een zeer alerte omgang met de gepaste afstand en nabijheid in de werkrelatie.

3. Ik ben meditatief aanwezig, wat inhoudt dat ik vertrouw op mijn opmerkzaamheid en mijn intuïtief aanvoelen in elk moment. Kennis en techniek zijn uiteraard oké, maar enkel als onderdeel van dieper inzicht en directe intuïtie. Vanuit een boeddhistisch perspectief ‘resultaten’ nastreven is noch realistisch noch wenselijk. Het gaat om iets veel omvattenders, namelijk om een meer positieve, liefdevolle levenshouding aanleren. Door onze problemen liefdevol te benaderen, bevrijden we ons van nutteloze schuldgevoelens, minderwaardigheid, defaitisme… Of ik werkelijk aanwezig ben bij mijn cliënt, hangt af van hoe liefdevol aanwezig ik ben bij mezelf.

4. ‘Mezelf’ bestaat in de boeddhistische psychologie niet als vast gegeven. ‘Mijn zelf’ is een voortdurende wisselwerking tussen mijn persoonlijke aard, mijn persoonlijke geschiedenis en mijn omgeving. Ik val als privépersoon en als therapeut niet zozeer terug op persoonlijke kennis en ervaring als op universele wijsheid.
Een cruciale boeddhistische therapeutische benadering is dus het geleidelijk in vraag stellen van ‘wie ben ik?’, ‘wat vormt mijn ik?’ en uiteindelijk: ‘hoort deze eigenschap of rol nog bij mezelf, kan ik dit loslaten?’

Ook in boeddhistische therapie moeten we onder ogen zien dat het voor sommige cliënten nodig is om eerst ‘hun zelf te versterken.’ Maar het totaalperspectief blijft om geleidelijk aan te leren openstaan voor elke ervaring en elke bijhorende reactie. Tot duidelijk wordt welke reactie geconditioneerd is en welke reactie reëel nodig en positief. Tot reacties dus spontaan kunnen opwellen en niet louter vanuit het geconditioneerde zelf.

Al houdt boeddhistische therapie in dat we ons ‘zelf’ proberen los te laten, tegelijk blijft het als westerlingen in het algemeen nodig om de angst te respecteren, die hoort bij dit loslaten. Onze cultuur is veel egocentrischer en materialistischer dan de oosterse waarin het boeddhisme ontstond. Ons zelf verzet zich tegen elke benadering die het wil beletten om een buffer te vormen tussen ons en werkelijkheid. Dat zou teveel verlies van uiterlijke houvasten, teveel angst, hopeloosheid en eenzaamheid opleveren.

5. Angst, hopeloosheid en eenzaamheid vormen sowieso al de ondergrond voor ons zelf. Boeddhisme beschouwt existentiële angst als fundamenteel voor elke mens, ook voor wie redelijk probleemloos leeft. We zijn allen bang voor de voortdurende veranderlijkheid en onvoorspelbaarheid van het leven. Deze angst overstijgt het persoonlijke levensverhaal van cliënt én therapeut. Het is een universele, gemeenschappelijke ervaring.
Het is ook bijzonder confronterend als een cliënt inziet dat het oertrauma dat hij opliep in zijn jeugd niet te herstellen valt. Hiermee leven is evenzeer een existentiële en fundamentele opgave voor ieder van ons. Het is de kern van echt autonoom worden en daagt ons uit om te leren vertrouwen op nieuwe en meer fundamentele hulpbronnen.

Een meditatieve houding aannemen tegenover blijvende ‘onvolmaaktheden’ vraagt een zachte, geduldige maar aanhoudende confrontatie met oude pijn. Een aspect daarvan is het relativeren en loslaten van de impact van emoties die opwellen vanuit oude pijn. Een ander meditatief aspect is opmerkzaam zijn voor de openheid en opluchting die we kunnen voelen als we in rust blijven. We ervaren dan soms spontane wijsheid: er hoeft niets, we kunnen in een natuurlijke bedding rusten.

6. Die natuurlijke bedding is een universeel gegeven. Een boeddhistische benadering is impliciet maar tegelijk is het fundamenteel dat ik gegrond blijf in een ruimer perspectief. In de praktijk betekent het voor mij dat ik zoveel mogelijk bij de existentiële onzekerheid van mijn cliënt blijf en zo lang mogelijk in mijn niet-weten. Ik kan niet weten hoe mijn cliënt zijn leven het best aanpakt. Zelfs Boeddha onthield zich van raad geven, en zette zijn gesprekspartners aan om enkel op hun eigen inzichten te vertrouwen. Inzichten die zelden uit het intellect voortkomen maar uit directe ervaring en intuïtie. Een praktische toepassing die direct intuïtief weten stimuleert is het richten van de aandacht naar heilzame bewustzijnsinhouden (liefde, hulpvaardigheid, generositeit, wijsheid, innerlijke rust…). Westerlingen onderkennen en waarderen zelden het goede in zichzelf.

7. Mijn niet-weten en mijn niet-ingrijpen in het leven van de cliënt betekenen niet dat ik er voor spek en bonen bij zit. Wanneer ik in stilte maar opmerkzaam aanwezig ben, introduceer ik hem in de dieper liggende mogelijkheden van meditatie. Boeddhistische meditatie leert omgaan met de angst die opkomt als klassieke houvasten van woorden, gedachten en gekende opvattingen wegvallen.
Mijn meest essentiële bijdrage is het vertrouwen belichamen dat ook mijn cliënt het natuurlijke vermogen heeft om zijn geest te zuiveren van conditioneringen. Hij is, onder alle angst en twijfel, in staat om zoals alle levende wezens in contact te komen met de oorspronkelijke stroom van het leven. Verstarren in een emotie of gedachte, signaleert dat hij midden in een illusie zit. Als zijn ervaring kan stromen, ervaart hij pure levensenergie.

8. Als we niet waakzaam zijn, maken we ook van onze spirituele ervaringen (rust, eenheid, mededogen…) nieuwe concepten. We zien onszelf als helemaal bevrijd ofwel als helemaal niet bevrijd, we ervaren onszelf als mislukkeling of juist als ongenaakbaar, onfeilbaar.
Waakzaamheid is ook nodig om op te merken dat spirituele groei net zo goed als meer basale psychische activiteiten onderhevig is aan neuroses. Zo is het perfect mogelijk om in een bepaald gebied effectief spiritueel te ontwikkelen zonder dat de gehele persoon daardoor getransformeerd wordt.

9. Vanuit een ruimer perspectief exploreer ik waar, wanneer, en vooral aan wie mijn cliënt zich hecht. Waar, wanneer, en wie hij afstoot. Of wie hij ambivalent benadert. Dit zijn de drie fundamentele vormen van lijden die Boeddha formuleerde, drie vormen die mij een leidraad geven in de complexe binnenwereld van mijn cliënt. Dit is zo fundamenteel en universeel dat ik mijn cliënt daarmee niet vanuit een concept of theorie benader.

Een boeddhistisch perspectief heeft verschillende dimensies. In de persoonlijke dimensie ga ik na hoe reëel en repetitief de ervaring van mijn cliënt is en hoe open hij staat voor nieuwe ervaringen. Leiden zijn ervaringen tot een verhaal dat verheldert in plaats van verhult? Is hij in staat zich niet langer te identificeren met zijn negatieve gevoelens en gedachten?
Op intermenselijk vlak richt ik mijn aandacht eerder op hoe hij zich bewust is van zijn werkelijke impact op anderen dan op introspectie en emoties. Kan mijn cliënt zijn perspectief verruimen van zichzelf naar een ander?
Een derde vraag is of mijn cliënt zijn perspectief ook kan verruimen naar het Andere, naar de wereld. Kan hij mededogen voelen met al wat leeft en wat wil leven zonder al te veel lijden?

Als mijn cliënt in staat is om pijn te voelen, maar hij zich er niet meer mee identificeert, kan hij voelen hoeveel energie er gevangen zit in zijn reactie op pijn. Die energie kan hij investeren in een positieve actie of relatie. Met deze transformatie kan hij een betere wereld creëren.

10. Conclusie. In een diepgaande therapeutische relatie ben ik als therapeut en vooral als mens het belangrijkste ‘werkinstrument.’ Het zijn niet de technieken -die we uiteraard achter de hand moeten hebben- en al helemaal niet de protocollen die ‘werken’, maar de mate waarin ik authentiek en liefdevol aanwezig ben.

Literatuur

  • Jack Kornfield, Buddha’s little instruction book, Bantam, New York, 1994
  • Mark Epstein, Gedachten zonder denker, Asoka, Nieuwerkerk a/d Ijssel, 1997
  • Gay Watson ea, De psychologie van het ontwaken, Asoka, Rotterdam, 2001
  • John Welwood, Psychologie van de ontwaking, Servire, Utrecht, 2001
  • Ria Kloppenburg ea, Boeddhisme en psychotherapie, Asoka, Rotterdam, 2005
  • Caroline Brazier, Other-centred therapy, O Books, Winchester, 2009
  • David Brazier, Liefde en waardering, Asoka, Nieuwerkerk a/d Ijssel, 2017.

 

Comments are closed.